In een steeds complexere bestuurlijke realiteit zijn programma’s hét vehikel geworden om maatschappelijke opgaven aan te pakken. Maar achter iedere programmatische ambitie schuilt een cruciale vraag: hebben wij als bestuurders voldoende gedeeld beeld bij de bedoeling, sturing en uitvoering van het programma? Juist daar wringt het vaak. Want ondanks professionalisering, ambitie en energie binnen programma’s, lopen we tegen hardnekkige dilemma’s aan. Dat vraagt niet alleen om scherpere keuzes, maar vooral om het goede gesprek: over verwachtingen, over governance, en over de manier waarop we samenwerking vormgeven.

Drie aandachtspunten en bijbehorende dilemma’s:

1. De bedoeling en scope van het programma: gedeeld of diffuus?

Veel programma’s kennen een krachtige start en een gedragen ‘waarom’. Maar gaandeweg ontstaat er een spanningsveld tussen de oorspronkelijke bedoeling en wat er feitelijk gebeurt. Wat valt er nog binnen de scope van het programma en wat hoort eigenlijk thuis in bredere organisatieontwikkeling?

Voorbeeldzin: “De beelden verschillen over welke aanpassingen binnen de scope van het programma horen en welke beter passen in de driehoek met de eigenaar.”

Dilemma: Hoe houden we het programma op koers zonder het te versmallen of te vervormen?

2. Besturing en governance: ruimte geven of regie nemen?

De programmabesturing is vaak een complex samenspel van opdrachtgevers, eigenaren, lijnorganisatie en programmaorganisatie. De vraag is of we als bestuurders voldoende consistent zijn in ons mandaat, onze betrokkenheid en het verwachtingsmanagement richting de uitvoering.

Voorbeeldzin: “G, als eigenaar van J, staat op relatief grote afstand van het programma T, terwijl juist de programmaboard zo belangrijk is voor besluitvorming binnen het programma.”

Dilemma: Zijn wij als bestuurders zichtbaar genoeg op de momenten dat het ertoe doet?

3. Samenwerking en samenhang: één programma of een verzameling projecten?

Er is brede herkenning van het nut van een gezamenlijke aanpak, maar tegelijkertijd wordt het programma vaak ervaren als een ‘verzameling projecten’. De kans is groot dat hierdoor de samenhang en het lerend vermogen verloren gaan.

Voorbeeldzin: “Tot op heden is er meer sprake van een verzameling projecten, dan van een echt programma.”

Dilemma: Hoe creëren we als bestuur een gemeenschappelijke taal en aanpak zonder de diversiteit van opgaven te verliezen?